Ga er maar aan staan!

Voor veel buitenlanders is het Nederlands geen gemakkelijke taal. De woordvolgorde is vaak anders dan ze gewend zijn in hun moedertaal, ze moeten letten op allerlei vervoegingen en alle uitzonderingen uit hun hoofd leren. En dan is daar nog het lastige woordje er.

Als Nederlander zul je er niet vaak bij stilstaan dat we dit woord zo veel gebruiken. Laat staan dat je erover nadenkt waarom en wanneer je het gebruikt. Wat is bijvoorbeeld de functie van er in de volgende zin: ‘Ik heb er zin in’? Of in ‘Hij heeft er een paar verkocht’? Ik zal vast verklappen dat er vijf soorten er zijn. Om precies te zijn: vijf en een restgroep, voor alle onverklaarbare gevallen. Maar daarover later meer.

Lastig te papegaaien

Wat het voor buitenlanders zo lastig maakt om dit woordje op te pikken, is dat het vaak nauwelijks als zodanig te horen is. Zeg maar eens zo natuurlijk mogelijk ‘Ik heb er verstand van’. Niet veel mensen zullen het woord er duidelijk uitspreken. De zin loopt veel lekkerder als je zegt ‘Ik hebbur verstand van’. Soms wordt er dus uitgesproken als ur, met een sjwaklank (een toonloze e, als in de). Een andere manier om er uit te spreken, is d’r: ‘D’r zijn weer veel kandidaten geslaagd voor het examen’.

Voor ons, Nederlanders, is het allemaal heel vanzelfsprekend, maar buitenlanders hebben moeite het woordje er te herkennen. En wat je niet goed hoort, kun je ook niet goed ‘papegaaien’ – in de positieve betekenis van nazeggen of imiteren. Een bekende oefening voor gevorderde NT2-cursisten (voor wie het Nederlands een tweede taal is), gaat als volgt. De cursisten krijgen een korte tekst waarin alle gevallen van er zijn weggelaten. De docent leest de tekst rustig, maar in een normaal spreektempo voor, met gebruik van er op de plaatsen waar dat woord zou moeten staan. Daarbij spreekt hij er uit zoals hij dat gewoonlijk ook doet, dus af en toe als ur of d’r. Het lijkt misschien een eenvoudige opgave voor de cursisten om er op de juiste plaatsen te noteren, maar dat is het geenszins. Zelfs een knappe cursist laat er een paar weg, of fantaseert er een paar bij en vult er dus in op een plaats waar dat niet zou moeten.

Waarom gebruiken we er?

Als het zo moeilijk is om er te horen, zit er voor anderstaligen maar één ding op: leren waarom we er gebruiken. Zoals gezegd zijn er vijf groepen. Voor elke functie geef ik een voorbeeldzin die ik kort zal toelichten.

1. Er lopen twee mannen op straat.

Dit is er met een onbepaald onderwerp, namelijk twee mannen. Er wijst hier vooruit naar het ‘echte’ onderwerp en neemt de plaats in van grammaticaal onderwerp.

2. Ben je weleens in Amsterdam geweest? Nee, ik ben er nog nooit geweest.

Hier vervangt er een plaats; in deze zin Amsterdam.

3. Hoeveel zussen heb je? Ik heb er twee.

Dit is er met een woord van hoeveelheid. Je kunt ook zeggen ‘Ik heb twee zussen’ of ‘Twee’, maar niet ‘Ik heb twee’.

4. Kijk je weleens naar het journaal? Ja, ik kijk er iedere dag naar.

Dit is er met een voorzetsel. Kijken naar is een vaste combinatie van een werkwoord met een voorzetsel. Bij dit soort combinaties gebruik je altijd er om een woord – in dit geval het journaal – te vervangen.

5. Er wordt in Nederland veel koffie gedronken.

Dit is de laatste groep: er met een passiefconstructie.

Laten we eens testen of je deze uitleg begrepen hebt. In de volgende zin zitten alle vijf de soorten. Kun je alle functies benoemen?

Ik heb er niet rustig kunnen werken, want er waren er velen die er niet aan dachten dat er alleen gefluisterd mocht worden.

(De oplossing staat onder aan dit artikel.)

Kbennutturmeejeens

De vierde functie, er met een voorzetsel, is voor de meeste buitenlanders het lastigst toe te passen. Dat heeft alles te maken met het feit dat voorzetsels op zich al heel vervelende dingen zijn. Want waarom zeg je in het Engels ‘I am waiting for the bus’ en in het Nederlands ‘Ik wacht op de bus’? En in het Frans gebruik je zelfs helemaal geen voorzetsel: ‘J’attends le bus’. Maar ook als een cursist de voorzetsels wel beheerst, kan hij zich afvragen waarom je wel zegt ‘Zie je de plant? Ja, ik zie hem’ maar niet ‘Wacht je op de bus? Ja, ik wacht op hem’. In combinaties met voorzetsels zijn hem en haar nu eenmaal voorbehouden aan personen: ‘Ik wacht op hem’ kan prima als het een persoon betreft. Voor de bus is het echter ‘Ik wacht erop’.

Een ander voorbeeld met een voorzetsel is het eens zijn met. Je kunt zeggen: Ben je het met Paula eens? Ja, ik ben het met haar eens. Maar: Ben je het met het voorstel eens? Ja, ik ben het ermee eens.

Dit is overigens typisch een zin die je flink moet drillen om ervoor te zorgen dat hij beklijft. Hoewel cursisten de neiging hebben de woorden een voor een uit te spreken, is het mooier als ze de zin zo natuurlijk mogelijk uitspreken, dus als ‘Kbennutturmeejeens’. De kneep zit hem ook in het woordje het, dat zich daar om een onverklaarbare reden tussen heeft gewurmd (maar daar zal ik nu niet op ingaan). Bovendien strooit het roet in de regel die je in het algemeen kunt hanteren: er komt na de persoonsvorm (in zinnen met een normale woordvolgorde: onderwerp – werkwoord – rest). Dus: ‘Ik heb ernaar gekeken’ en ‘Dat doet er niet toe’.

Om te verduidelijken hoe lastig er is, geef ik graag een voorbeeld dicht bij huis. Mijn vader, van Britse origine, laat er in dergelijke zinnen meestal weg; net als het overigens. Hij zegt dus: ‘Ik ben niet mee eens’. Ik treed dan automatisch in mijn rol van docent en vraag ‘Wáármee?’. Er voegt genoeg toe om te weten ‘O, dáármee!’. Inhoudelijk is het weliswaar geen zinvolle toevoeging, maar grammaticaal gezien hebben we er blijkbaar behoefte aan. Niet dat mijn vader daar een boodschap aan heeft, want na 35 jaar redt hij zich nog steeds prima zonder er.

Wat zie je er mooi uit!

En dan is er dus nog een restgroep. Dat is de allerlastigste groep, want waar komt er eigenlijk vandaan in een combinatie als eruitzien? Alsof we het expres extra moeilijk hebben willen maken … En als anderstaligen al onthouden dat er iets met er was, krijg je creatieve variaties als ‘Wat zie je mooi eruit!’. En wie ben ik dan om daar iets van te zeggen? Andere zinnen waarin er idiomatisch wordt gebruikt, zijn: ‘Wie is er aan de beurt?’ of ‘Mag ik er even langs?’. Naast deze veelvoorkomende gevallen zijn er ook nog uitdrukkingen en combinaties als ‘Het was erop of eronder’ en ‘Hij kreeg ervanlangs’. Ga er maar aan staan!

Los of aan elkaar?

Op de website van Onze Taal staat een gigantische lijst met combinaties van er met een of meer voorzetsels en een werkwoord, zoals eraan toekomen en ervan opaan kunnen. Daarin wordt duidelijk aangegeven wanneer je een combinatie met er aan elkaar moet schrijven en wanneer niet. Omdat dit Nederlanders al zo veel hoofdbrekens kost, laat ik die arme hoofdjes van buitenlandse cursisten op dit gebied maar even met rust. Ik ben al zeer tevreden met een zin als ‘Dat hangt er van af’. Natuurlijk hoop ik dat ze het goed van me overnemen, maar geen haan die ernaar kraait als ze de woorden los schrijven. Zeg ik dat? Het is waar; normaal gesproken val ik over dit soort futiliteiten, maar laten we het even niet moeilijker maken dan het al is.

Oplossing:

Ik heb er2 niet rustig kunnen werken, want er1 waren er3 velen die er4 niet aan dachten dat er5 alleen gefluisterd mocht worden.

    07 november 2012 door Emily
    Categorie: Blog, NT2, Taaltips | Tags: , , | 9 berichten

    Berichten (9)

    1. Wauw, fijn uitgelegd! Heel begrijpelijk. Blijft alleen heel lastig voor de anderstaligen…
      Leuk dat je me erop attendeerde!

      groetjes,

      Debora

    2. “Maar ook als een cursist de voorzetsels wel beheerst, kan hij zich afvragen waarom je wel zegt ‘Zie je de plant? Ja, ik zie hem’ maar niet ‘Wacht je op de bus? Ja, ik wacht op hem’. In combinaties met voorzetsels zijn hem en haar nu eenmaal voorbehouden aan personen: ‘Ik wacht op hem’ kan prima als het een persoon betreft. Voor de bus is het echter ‘Ik wacht erop’.”

      Volgens mij is een plant geen persoon…Deze regel is a) fout b) niet goed uitgelegd.

      Kan het zijn dat het ‘voorbehouden is aan levende wezens’?

      • Beste Derek,
        Of c) niet goed begrepen;-) Het verschil tussen ‘Zie je de plant / Ja, ik zie hem’ en ‘Ik wacht op de bus / Ik wacht erop’ is dat het werkwoord ‘wachten’ een voorzetsel bij zich heeft, namelijk ‘op’. Zoals ik al schreef: in combinaties met voorzetsels [!] zijn hem en haar voorbehouden aan personen. Bij ‘zien’ hoort geen voorzetsel, dus daar kun je gerust ‘hem’ en haar’ gebruiken, ook voor dingen: Waar is mijn telefoon? Ik heb hem op tafel gelegd. Hopelijk is het zo duidelijk!

    3. <>

      Ik zou ook zeer tevreden zijn als mijn cursisten dit zouden schrijven! Maar, voor alle duidelijkheid, correct is toch <>, niet?

      Bedankt en groetjes

      Guy

      • Blijkbaar is wat ik tussen dubbele vishaken geplaatst heb, weggevallen. Vandaar hieronder opnieuw, met dubbele aanhalingstekens!

        “Ik ben al zeer tevreden met een zin als ‘Dat hangt er van af’.”

        Ik zou ook zeer tevreden zijn als mijn cursisten dit zouden schrijven! Maar, voor alle duidelijkheid, correct is toch “Ik ben al zeer tevreden met een zin als ‘Dat hangt ervan af’ “, niet?

        Bedankt en groetjes

        Guy

        • Inderdaad, het zou aan elkaar moeten: ‘Dat hangt ervan af.’ Wat ik bedoel te zeggen, is dat ik er niet over zou vallen als cursisten het los schrijven. In mijn schrijfworkshops voor Nederlandstaligen besteed ik daar natuurlijk wel aandacht aan, maar in een NT2-cursus vind ik het minder belangrijk.

          Hartelijke groeten,
          Emily

    4. Weet je of er veel mensen bij de bushalte stonden?
      Weet je dat er gisteren niemand bij de bushalte stond?

      Mag de “er” weggelaten worden ?

      Voor een buitenlander, is dit het enig probleem !
      De “5 regels” zijn een probleem voor de Nederlanders.
      Niet voor ons…

      • Dan ben je de eerste die er geen moeite mee heeft;-) Nederlanders hebben de regels niet nodig, die doen het op gevoel goed.

        Het wel of niet weglaten van ‘er’ is een interessante kwestie. In de zinnen die je noemt, kun je ‘er’ niet weglaten. In het boek Nederlandse grammatica voor anderstaligen (A.M. Fontein en A. Pescher – ter Meer, nr.568) staat het volgende:

        Het is nooit fout er te gebruiken in zinnen met een onbepaald subject, maar vooral in geschreven taal laat men er als voorlopig subject soms weg omdat de stijl dan mooier is. Dit weglaten van er komt vooral vaak voor in zinnen die met een plaatsaanduiding beginnen.

        Geschreven taal: In Nederland wonen veel mensen.
        Gesproken taal: In Nederland wonen er veel mensen.

        De zin kan ook met het echte subject beginnen:
        Geschreven taal: Een vriend van mijn zoon komt vandaag eten.
        Gesproken taal: Er komt vandaag een vriend van mijn zoon eten.

    Schrijf een bericht

    Verplichte velden zijn gemarkeerd *