‘Vast is een 4-homoniem.’ Mijn zoon kijkt me aan over de rand van zijn hoogslaper.
‘Hadden we dit gesprek vorige week niet ook al?’
‘Ja, ik krijg ook een déjà-vu.’ In de Billy-kast zoekt hij een Donald Duckje dat hij nog niet tien keer heeft gelezen.
‘Of ging het toen over net?
‘O ja, dat was het!’
‘Wat waren ze ook alweer?’
‘Zo’n net van volleybal. En net van pas. En wat nog meer?’
‘Net van netjes. Een net jasje ofzo.’
‘O ja, en dan nog één.’ Hij legt Schildpad in het goede hoekje van zijn bed. ‘Welke was dat?’
‘Hij is net zo oud als jij. Was het die?’
‘Ja. Dus net is ook een 4-homoniem!’
‘Eh … wat is een homoniem eigenlijk precies?’
Homoniemen zijn woorden die er hetzelfde uitzien en die hetzelfde klinken, maar een andere betekenis hebben. Het Griekse woord homo betekent gelijk, identiek. Een bekend voorbeeld is bank: een bank om op te zitten en de bank waar het geld bewaard wordt. Meer voorbeelden vind je op de website van Onze Taal.
‘Hoezo weet een kind van 11 überhaupt wat een homoniem is?’
Je krijgt terug wat je erin stopt. Dus als je tijdens het avondeten begint over homoniemen – omdat je dat toevallig zelf interessant vindt – dan is dat net zo’n gewoon woord als bijvoorbeeld spaghetti.
Drie jaar geleden voerden mijn twee zoons al de volgende dialoog:
‘Hé, bal is een homoniem!’, roept mijn jongste verrukt uit, zijn koppie verscholen achter een Donald Duckje.
‘Ja, je bedoelt natuurlijk een voetbal of een tennisbal. Of een piemelbal …’
‘Nee, helemáál niet! Het gaat hier over een feest.’
En soms kom je ze ook tegen in de les, homoniemen.

Een cursist die hoorde over slot Loevestein was even in de war, omdat hij net zijn fiets op slot had gezet.
En soms heeft een woord een andere betekenis als het lidwoord verandert. Zo schreef een cursist: ‘De pad is weer sneeuwvrij.’ Ze bedoelde natuurlijk ‘het pad’: de pad is een dier dat lijkt op een kikker, terwijl het pad een weg is, bijvoorbeeld een voetpad.
(Interessant: het meervoud van de pad is padden, het meervoud van het pad is paden.)
Ook is er een verschil tussen de punt en het punt. Een cursist zei laatst: ‘Dat is een goede punt.’ Maar dat is echt iets anders is dan wat ze bedoelde, namelijk: ‘Dat is een goed punt.’ De punt is het leesteken, het punt is hier een argument. En een ander lidwoord heeft invloed op het bijvoeglijk naamwoord: goed of goede. (Meer weten over de vervoeging van het bijvoeglijk naamwoord? Check dan deze blog.)
‘Hoe zit het dan met vast?’
O ja, sorry, dat wil je nu natuurlijk ook weten. Mijn zoon en ik bedachten de volgende vier betekenissen:
- Het wordt morgen vast beter weer. -> waarschijnlijk
- Hij zit vast. -> in de gevangenis
- Hij vast, want het is Ramadan. -> van het werkwoord vasten
- Vast -> niet vloeibaar
En er zijn er vast meer! Denk er maar vast over na.😊
Uitdagende puzzel
Deze puzzel vond ik best wel uitdagend. Ik ben benieuwd hoe het met jouw kennis van homoniemen zit. Lukt het je om de puzzel op te lossen?
